Bloemetje 32. Actief luisteren  

Door Clémence Leijten.

Meisje Bloem is op zolder. Beneden roept haar moeder dat meneer en mevrouw Jansen gekomen zijn en dat Meisje Bloem hen moet komen begroeten. Meisje Bloem zegt: ‘Ik ga niet naar beneden.’ Meisje Bloem haalt haar neus op. Meisje Bloem zegt: ‘Meneer en mevrouw Jansen praten alleen met mijn vader en mijn moeder.’ Ze zegt: ‘Meneer en mevrouw Jansen vragen nooit hoe ik heet. Meneer en mevrouw Jansen vragen nooit wat ik leuk vind. Meneer en mevrouw Jansen vragen nooit wat ik denk.’ Meisje Bloem zegt: ‘Meneer en mevrouw Jansen denken dat ik een stoel ben. Met een stoel hoef je niet te praten’ (37. Een stoel). Deze scene uit het prentenboek is een aanklacht van een kind naar een volwassene: “Ze praten niet met me, ze luisteren niet.” Dodelijk is dat voor een kind. Ik proef in de houding van meneer en mevrouw Jansen de neerbuigende houding van ‘het is maar een kind, een kind kan nog niks’ en de norm ‘als de volwassenen praten moet een kind zwijgen’ en een cultuur waarin een kind moet aannemen dat ‘het is zoals het is’. Weten meneer en mevrouw Jansen wat ze aanrichten?

Continue Reading


Bloemetje  31. Geschiedenisles

Door Joris Leijten

Deze week is het Kinderboekenweek 2020 met het thema: “ En toen?,  over geschiedenis”. Alle voorwerpen op de zolder van Meisje Bloem hebben een geschiedenis. Ze zijn op een of andere manier belangrijk voor de ouders van Meisje Bloem om te bewaren voor de toekomst op de zolder. Dat weet Meisje Bloem. Ze vindt het spannend en leuk om op de zolder in de dozen te speuren naar de voorwerpen en vragen te stellen naar de geschiedenis van de voorwerpen. Ze stelt aan de hand van de voorwerpen zichzelf vragen en leert van de verhalen die ze bedenkt en speelt. Dat leidt weer tot nieuwe antwoorden.

Continue Reading


Bloemetje 30. Zich pantseren.

Door:  Clémence Leijten.

Meisje Bloem vindt in een doos een harnas van een ridder. Meisje Bloem wil wel ridder worden. Ze doet de ijzeren jas aan en zet de helm op haar hoofd. ‘Het is zwaar’, zegt ze. Meisje Bloem kan er bijna niet mee lopen en ze kan ook bijna niets zien. ‘Niemand kan me pijn doen,’ zegt ze. Meisje Bloem zegt: ‘Met deze ijzeren kleren ben ik niet meer bang (41. Het harnas)’ Dit verhaal van Meisje Bloem herken ik. Als ik bang ben kan ik wegduiken in een hoekje, maar ik kan me ook pantseren net als Meisje Bloem; me sterker maken dan ik werkelijk ben. Ik kan letterlijk eelt kweken op mijn ziel, waardoor alles wat mensen tegen mij ondernemen mij niet raakt meer en ik onschendbaar wordt. Niks deert me en een gemene opmerking glijdt van mijn rug als druppels water op een vette eenden rug. Ik kan me ook pantseren door me voor te stellen dat ik een ander ben, een heel sterke vrouw bijvoorbeeld die niemand in de wereld nodig heeft. Dat lijkt prettig maar als niks meer binnen komt, dan ben ik wel heel alleen en word ik ook niet met liefde gevoed, want narigheid raakt me niet, maar ik ben ook gevoelloos voor liefde dan; ik verhard. Wie zich afsluit voor gevoelens, zich pantsert, wordt niet geraakt, niet door een sneer, maar ook niet door een compliment of een aai. En is die sterke vrouw wel een prettig iemand voor de mensen om mij heen?

Continue Reading


Bloemetje 29. Vragende Nieuwsgierigheid

Door Joris Leijten.

Bij kinderen kennen we de zogenaamde ‘waaromfase’. Tussen 3 en 4 jaar  ontdekken kinderen dat alles met vragen te beantwoorden is. Ze stellen zich bij alles wat ze doen de vraag: Waarom? Waarom moet ik naar bed? Waarom moet ik eten, waarom heeft een stoel 4 poten?  Soms tot ontsteltenis van de ouders en andere volwassenen die niet op elke vraag een goed kinderantwoord weten. Door het soms te veel aan vragen stellen en de ergernis van volwassenen daarover leren kinderen het helaas af om vragen te stellen. Hopelijk behouden ze wel hun nieuwsgierigheid en gaan ze zelf opzoek naar vragen en de antwoorden net als Meisje Bloem.

Continue Reading