Bloemetje 148. De regie hebben.

Door Clémence Leijten

Meisje Bloem rent de zolder op. Heb je haast, Bloem? Meisje Bloem zegt boos: ‘Ik moet van mijn moeder mijn kamer opruimen.’ Meisje Bloem wil niet opruimen. Meisje Bloem vindt haar kamer opruimen niet nodig. Bovendien wordt ze er moe van.                                                
Meisje Bloem denkt dromerig: ik was een prinses. Ze zegt: ‘Ik hoefde helemaal niks te doen. Iemand raapte mijn sokken op. Iemand zoog het stof. Iemand maakte mijn bed op. Het werd keurig netjes zonder mij.’  Meisje Bloem gaat moe zitten op een doos. Ze zegt: ‘Ik moet mijn kamer opruimen. Ik moet mijn bed opmaken. Ik moet mijn sokken oprapen.’ Meisje Bloem zegt; ‘Niet nu! Ik zal het wel doen, maar morgen.’
(22. Het niksje.) Meisje Bloem kan zich niet zetten nu op te ruimen. Ze is te moe om op te ruimen. “Ik ben Bloem, zo wil ik het doen” zegt Meisje Bloem altijd. Daarmee zegt ze, dat zij onafhankelijk wil bepalen wat er moet gebeuren. Ze wil niet dat haar moeder denkt voor haar. Je wilt onafhankelijk zijn, Meisje Bloem? Dat ben je als je de regie over je leven neemt. Maar… óók de regie neemt over de dingen, die je ‘niet’ kan.

Continue Reading


Bloemetje 147. Moeilijke vragen

Door: Joris Leijten
De verhaaltjes van Meisje Bloem leiden in haar spel tot een moeilijk vraag. Het zijn kindervragen die haar even tot nadenken zetten en zij op haar eigen manier beantwoordt.
In het verhaal over “Het Harnas” beschermt ze zichzelf tegen de boze buitenwereld maar ze komt er achter dat dat minder praktisch is en leidt tot de vraag: ‘Wat is dat dan, bescherming? Meisje Bloem denkt na over bescherming.
Meisje Bloem zegt: ‘Bescherming is een muur. Die muur houdt tegen wat ik niet leuk vind. Achter die muur ben ik veilig.’ Meisje Bloem zegt: ‘Achter die muur kan mij niks gebeuren.’ (41. Het harnas) Bescherming is in eerste instantie een abstract begrip. Meisje Bloem maakt het concreet en kleiner door het voor te stellen dat ze achter een muur bescherming vindt. Dat is herkenbaar de muren van haar huis beschermen haar tegen storm, regen en kou buiten. Heel praktisch.

Continue Reading


Bloemetje 146. Piraten.

Door Clémence Leijten.

Op de zolder van Meisje Bloem staan allemaal dozen. Steeds zit er iets in, maar in deze doos die ze vindt, zit niets. Het is een lege doos. Waarom is de doos leeg? ‘In de doos zat misschien een schat‘, zegt ze, ’die schat is gestolen door een piraat.’ Meisje Bloem zegt: ‘Ik denk dat er goudstukken in de doos lagen.’ (32. De lege doos) Ze zegt het niet, maar in de woorden die zij kiest, voel ik verontwaardiging. Immers de schat is “gestolen”; de schat is niet opgebruikt. De persoon die de kist leeghaalde is een “piraat”. Een piraat is iemand, die de eerlijkheid niet hoog heeft. Wat zou er gebeuren als ik tegen Meisje Bloem zeg, dat zij, wij allemaal, op onze beurt piraten zijn?

Continue Reading


Bloemetje 145. Lezen met migranten

Door Joris Leijten
Afgelopen tien weken heb ik elke dinsdagmiddag uit “Meisje Bloem” gelezen in het Huis van Compassie in Nijmegen met drie of vier migranten.  Ze waren enthousiast over het boek en de verhaaltjes.
Ze keken er elke dinsdagmiddag weer naar uit om met mij te lezen.

De migranten uit Afghanistan, Turkije en Marokko zijn twee mannen en een vrouw aangevuld met passanten. Iedereen heeft een status in Nederland. Ze zijn al jaren werkzaam in Nederland. Maar door de  bubbel waarin zij leven,  spreken ze niet veel hardop Nederlands met Nederlanders. Meisje Bloem is een kinderboek met relatief makkelijke korte zinnen, met een serieuze ondertoon en een diepe inhoud. Daarom heb ik gemerkt dat het boek heel goed werkt als taalonderwijs voor volwassen migranten.

Continue Reading