
4. Het touwtje
De zolder ligt hoog in de lucht. Nu het waait, hoor je er de wind. Hoeiiii, hoooeiii, hooeiiiiiiiiiii, gaat het. Ben je bang, Bloem, voor de wind? ‘Straks waait misschien het dak er af’, zegt ze. ‘Hoe kan ik dat stoppen?’
Meisje Bloem denkt aan een huis zonder dak waar je zomaar binnen kunt kijken. Ze zegt: ‘Zonder het dak waaien de lakens van mijn bed.’ De gaatjes in haar ogen zijn groot. Meisje Bloem denkt diep na. ‘Er moet iets gebeuren’, zegt ze.